Insights
Hof Amsterdam: Uber chauffeurs zijn zelfstandigen
De Hoge Raad heeft in de zogenaamde Deliveroo uitspraak bevestigd dat de vraag of een arbeidsrelatie kwalificeert als arbeidsovereenkomst, afhangt van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kan mede van belang zijn of de werker zich in het economisch verkeer als ondernemer heeft gedragen of kan gedragen. Gevolg hiervan is dat binnen eenzelfde organisatie, de ene werker wordt geacht werkzaam te zijn op basis van een arbeidsovereenkomst en dat de andere werker kwalificeert als ‘echte’ zelfstandige.
Deze kwalificatievraag stond ook centraal in de zaak tussen FNV en Uber waar het Gerechtshof Amsterdam zich over heeft gebogen. In de zaak vordert FNV een verklaring voor recht dat de chauffeurs van Uber werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst en dus niet als zelfstandige. Aan de zijde van Uber hadden zich zes van haar chauffeurs gevoegd die juist stellen zelfstandig ondernemer te zijn. Het hof oordeelt dat de zes chauffeurs inderdaad ondernemer zijn en wijst de vordering van FNV af.
Ondernemerschap beslissend
Opmerkelijk aan de zaak tussen FNV en Uber is dat de mate van ondernemerschap van de chauffeur de beslissende factor vormt. Zo overweegt het hof dat het ondernemerschap van de chauffeurs de balans kan doen omslaan in de richting van een opdrachtovereenkomst (en dus geen arbeidsovereenkomst). De rechter kon echter geen algemeen oordeel geven over de positie van de Uber chauffeurs in het algemeen, omdat er sterke verschillen in de mate van ondernemerschap tussen de chauffeurs bestaan. Hieruit volgt dat het dus mogelijk is dat sommige chauffeurs kwalificeren als zelfstandig ondernemer, terwijl andere chauffeurs werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst.
Bij de beoordeling van de arbeidsrelatie tussen Uber en haar chauffeurs acht het hof met name van belang dat sommige chauffeurs (grote) investeringen hebben gedaan in hun auto en dat het risico van deze investeringen bij de chauffeurs ligt. Verder speelt mee dat de chauffeurs gemiddeld een hogere beloning ontvangen dan taxichauffeurs in loondienst en dat de chauffeurs van Uber een grote mate van vrijheid hebben in het accepteren van ritten.
Conclusie
De zaak tussen FNV en Uber bevestigt de lijn ingezet door de Hoge Raad en laat daarmee opnieuw zien dat arbeidsrelaties die op het eerste gezicht sterke gelijkenis vertonen, toch ieder anders gekwalificeerd kunnen worden. Individuele verschillen kunnen daarbij van groot belang zijn. In dit geval was het externe ondernemerschap een doorslaggevende factor. NB: extern ondernemerschap is in zowel het Wetsvoorstel VBAR als het Wetsvoorstel Zelfstandigenwet, beide in het leven geroepen om de positie van schijnzelfstandigen te verbeteren, ook een volwaardig criterium. Zou deze wet er dan nu toch gaan komen? Wij houden u uiteraard op de hoogte.
